Wat zijn competenties?

Competenties zijn in gedrag waarneembare combinatie van kwaliteiten (aangeboren), kennis (studeren) en vaardigheden (oefenen) waarmee je doelen kan bereiken. Deze componenten gaan we in dit artikel hieronder even iets beter bekijken.

Kwaliteiten

Het eerste onderdeel van competenties zijn je kwaliteiten. Kwaliteiten worden ook wel persoonskenmerken of persoonlijke eigenschappen genoemd.

Je kwaliteiten of gedrag kun je zien als de persoonlijke voorkeuren waarmee je geboren bent (primitief gedrag). Wanneer iemand zegt dat zijn kinderen allemaal verschillend zijn. Dan zitten die verschillen in hun kwaliteiten. Het ene kind babbelt snel. Die verbetert dus zijn communicatieve vaardigheden. En zo zal ieder kind naar zijn persoonlijke voorkeur bepaalde kwaliteiten verder gaan ontwikkelen en andere laten ze dan weer (langer) links liggen. Deze bepalen ook mee welke kennis je interessant vind en wat niet.

Je kunt soft skills of kwaliteiten dan ook wat zien als gedrag. Zo weet je ook dat je best bij je collega Els even kan buurten als het even niet lukt. Ze helpt je dan wel weer op pad. Els is dan behulpzaam. En in dit geval ben je assertief. Je zorgt er zelf voor dat je ook weer voort kan, zonder iemand anders hiervoor te benadelen.

Die kwaliteiten worden ook wel soft skills genoemd. Voorbeelden hiervan zijn:

Competentie boogschieten
kwaliteit - doelgericht
  • Nauwkeurig
  • Sportief
  • Assertief
  • Creatief
  • Behulpzaam
  • Inlevingsvermogen
  • Gedrevenheid
  • Proactiviteit
  • Communicatief
  • Flexibiliteit
  • Gepassioneerd
  • Analytisch
  • Stressbestendig
  • Resultaatgericht
  • Klantgericht
  • Teamplayer
  • Zelfstandig

Kennis

Het tweede onderdeel van competenties is je kennis. Hieronder verstaan we wat je weet of wat je hebt geleerd. Dit is eigenlijk het theoretische gedeelte. Het deel dat je leert uit boeken, tijdschriften, encyclopedieën of wat je op internet terug kan vinden. Dit is ook wat je leert op (academische) scholen.

Daarnaast is het bij kennis ook zo dat je die gestaag uitbouwt. Dit door onderzoek te doen en voort te bouwen op wat je wel al weet. Kennis levert dan ook het meeste op wanneer je ze met anderen deelt.

Kennis kun je op heel wat gebieden hebben:

kennis is het tweede deel van een beheerste competentie
  • Historische kennis: Dit gaat over wat je weet over het verleden. Wanneer was welke oorlog, wie won er, wat was de oorzaak, ontstaan van de EU, …
  • Planten kennis: Dit is bijvoorbeeld weten: waar bepaalde planten voorkomen, veel of weinig water nodig, zijn het schaduwplanten, hoe planten ze zich voort, …
  • Zelfkennis: Iemand met veelkennis weet wat die aan zichzelf heeft. Die heeft een realistisch beeld van zijn eigen sterke en zwakke punten. Daarnaast weet die wat hij voelt en waarom en kan die aardig accuraat vertellen hoe hij in bepaalde situaties zal handelen.

Vaardigheden

En tot slot het derde en laatste maar ook het zichtbaarste gedeelte van competenties: de vaardigheden. Een vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren. Het is eigenlijk het in de praktijk toepassen van opgedane kennis. Je kunt dus ook wel stellen dat kennis opdoen ook de basis is voor je vaardigheden.

Vaardigheden zijn er 2 grote groepen: praktische vaardigheden en academische vaardigheden die samen ook de hard skills vormen.

Praktische vaardigheden of technische vaardigheden

Praktische vaardigheden, ook wel technische vaardigheden genoemd zijn vaardigheden die leiden tot een resultaat. Ze zijn dus inderdaad te testen. Voorbeelden van praktische vaardigheden zijn:

Denk bij competenties bijvoorbeeld aan fietsen. De praktische vaardigheid hierbij is bijvoorbeeld trappen, sturen,...
  • Computer vaardigheden: Typen, programmeren, …
  • Spalken
  • Timmeren
  • Nieten
  • Snoeien
  • Zwemmen
  • Fietsen
  • Koken
  • Statistiek
  • Ontwerpen
  • Kast in elkaar zetten
  • Uitdrukkingsvermogen
    (mondeling en/of schriftelijk)
  • Talenkennis

Academische vaardigheden

Academische vaardigheden zijn net zoals de praktische vaardigheden, vaardigheden die leiden tot een resultaat. Het grote verschil tussen beiden is dat de academische vaardigheden opgedaan worden in universiteiten en onderwijsinstellingen. Daarnaast zijn ze ook veel abstracter van aard.

De grootste groep van academische vaardigheden zijn lees-, denk- en schrijfvaardigheden die je nodig hebt om goed onderzoek te kunnen doen, bronnen te beoordelen en natuurlijk het voor het schrijven en beoordelen van onderzoeksrapporten.

  • Analytisch denken
  • Betrouwbare bronnen gebruiken
  • Ondernemend denken
  • Kritisch denken
  • Redeneren
  • Onderbouwen

Vaardigheden leer je niet uit een boek. Je leert ze door de geziene kennis in de praktijk toe te gaan passen. Hierbij zien we dat hard skills of vaardigheden direct te testen zijn. Je kunt namelijk zien of iemand kan fietsen of niet. Je kunt de bronnen ook zelf controleren en je ziet ook de redenering ontstaan op papier.

Samenvatting

Om af te sluiten nog even de definitie. Competenties zijn in gedrag waarneembare combinaties van:

Hiermee kun je je doelen behalen.